De Spaanse werkwoorden ser en estar beteken allebei zijn, maar wel op verschillende manieren. Dit artikel gaat over die verschillen tussen beide onregelmatige werkwoorden en waneer je welke gebruikt.

Ser

Ser wordt gebruikt voor zaken die te maken hebben met identiteit, zoals: nationaliteit, geslacht, beroep en afkomst. Hieronder een aantal voorbeelden:

Ana es española.
Ana is Spaanse.
José es periodista.
José is journalist.

Verder wordt ser gebruikt voor uitdrukkingen van tijd, datums, dagen en gebeurtenissen. Hieronder een paar voorbeelden.

Son las doce del mediodía.
Het is twaalf uur 's middags.
La semana pasada fue el cumpleaños de mi hermana Alexandra.
Vorige week was de verjaardag van mijn zus Alexandra.

Meer over het uitdrukken van tijd en datum kun je vinden in het artikel over tijd in het Spaans.

Ser wordt ook gebruikt om te zeggen waarvan iets gemaakt is. Bijvoorbeeld:

La mesa es de madera.
De tafel is (gemaakt) van hout.
Los neumáticos son de goma.
De banden zijn gemaakt van rubber.

Tevens wordt ser gebruikt voor het aanduiden van eigendom. Bijvoorbeeld:

Este coche es el mío, y aquél es el tuyo.
Deze auto is van mij, en die is van jou.

Ser is een zeer onregelmatig werkwoord, voor de volledige vervoeging in alle tijden en wijzen zie de tabel met de vervoeging van ser. Ook kun je de vervoeging van ser oefenen op deze site.

Estar

Estar wordt gebruikt voor het aangeven van de plaats van iets of iemand, bijvoorbeeld:

Estamos en la isla de Tenerife.
We zijn op het eiland Tenerife.
Los libros están sobre la mesa.
De boeken liggen op tafel.
Mañana estaré en casa.
Morgen zal ik thuis zijn.

El Teide bevindt zich op Tenerife en is met 3715 meter het hoogste punt van Spanje.

Ook wordt estar gebruikt voor het uitdrukken van gevoel, stemming, emotie, fysieke toestand of uiterlijkheid. Hierbij is het belangrijk op te merken dat het om een situatie gaat:

Estoy feliz.
Ik ben gelukkig.
Carmen está resfriada.
Carmen is verkouden.
La chica está bonita.
Het meisje ziet er mooi uit.

Zo wordt estar ook gebruikt voor burgelijke staat, zoals: gescheiden, getrouwd, overleden, etc. Bijvoorbeeld:

Ramon está casado con Maria.
Ramon is getrouwd met Maria.
Están muertos.
Ze zijn overleden.

Ook wordt estar gebruikt voor zaken die aan de gang zijn. Hier wordt estar gebruikt als hulpwerkwoord bij het tegenwoordig deelwoord (gerundio). Zie onderstaande voorbeelden:

Estás leyendo un artículo sobre la lengua española.
Je bent een artikel aan het lezen over de Spaanse taal.

Lees meer over het gebruik de van de gerundio in het artikel over het gebruik van wijzen en tijden in het Spaans.

Ook estar is een onregelmatig werkwoord. Zie voor de volledige vervoeging de tabel met de vervoeging van estar. Je kunt op deze site ook de vervoeging van estar oefenen.

Ser versus estar

Nog wat voorbeelden waar duidelijk het verschil tussen ser en estar te zien is:

El profesor es aburrido.
De leraar is saai.
El alumno está aburrido.
De leerling verveelt zich.
Ella es bonita.
Zij is mooi. (Ze is een knap persoon.)
Ella está bonita.
Zij ziet er mooi uit.

Samengevat heeft ser heeft meer betrekking op identiteit, estar meer op een toestand of plaats.